Wet voorkeursrecht gemeenten:

Algemeen
De Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) biedt gemeenten de mogelijkheid om op gronden een zogenaamd voorkeursrecht te vestigen. Het effect van de vestiging van een dergelijk recht is, dat de gemeente als eerste in de gelegenheid moet worden gesteld om een stuk grond aan te kopen wanneer de eigenaar de grond wil verkopen. De eigenaar mag zijn grond dus, wanneer daarop het voorkeursrecht is gevestigd, niet als eerste verkopen aan een andere partij, zoals bijvoorbeeld een projectontwikkelaar. Het voorkeursrecht leidt dus niet tot ontneming van de eigendom maar beperkt de beschikkingsbevoegdheid van de eigenaar.

De Wvg is op 1 januari 1985 in werking getreden. Toepassing van de wet was in eerste instantie beperkt tot stads- en dorpsvernieuwingsgebieden. In 1996 is de werking van de Wvg verruimd tot het gehele gebied van gemeenten met zogenaamde “uitbreidingscapaciteit” en in 2002 is de wet nogmaals verruimd tot alle gemeenten.

Procedure
Toepassing van de Wvg luistert zeer nauw en er zijn veel bepalingen en vereisten waarmee rekening moet worden gehouden. Zonder uitputtend op die bepalingen en vereisten in te gaan kent de wet de volgende mogelijkheden om het voorkeursrecht te vestigen.

In de eerste plaats kan de gemeenteraad op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wvg een voorkeursrecht vestigen op gronden die begrepen zijn in een structuur- of bestemmingsplan. Voorafgaand aan de vaststelling van een structuur- of bestemmingsplan door de gemeenteraad kunnen burgemeester en wethouders de gemeenteraad op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wvg een voorstel doen tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid. Dit voorstel kan bekend worden gemaakt in de Staatscourant. Het tweede lid van artikel 6 bepaalt dat het voorstel daags na de dagtekening van de Staatscourant waarin het bekend is gemaakt rechtsgevolg krijgt. In feite betekent dit dat al vanaf dat moment de beperkingen van de Wvg op de bij het voorstel betrokken gronden rusten.

Het voorstel van burgemeester en wethouders blijft ingevolge artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wvg vijf maanden geldig (te rekenen vanaf de dag waarop het ontwerp van het structuur- of bestemmingsplan ter inzage is gelegd). Binnen die termijn moet de gemeenteraad op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wvg het besluit omtrent vestiging van het voorkeursrecht nemen. Voor de vestiging van dit recht komen alleen de gronden in aanmerking waaraan bij het structuur- of bestemmingsplan een niet-agrarische bestemming is toegedacht of gegeven en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan (artikel 2, tweede lid, Wvg). Een besluit van de gemeenteraad tot vestiging van het voorkeursrecht op gronden die in een structuurplan zijn betrokken geldt voor een daarbij te stellen termijn van ten hoogste twee jaar. De raad kan deze termijn eenmaal met ten hoogste één jaar verlengen. Een en ander is neergelegd in het vierde lid van artikel 2 van de Wvg. Aan de vestiging van het voorkeursrecht op gronden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen is geen termijn gekoppeld. Hier is de werkingsduur dus onbeperkt, althans tot het moment waarop de bestemming daadwerkelijk is gerealiseerd.

De Wvg schept in de tweede plaats ook de mogelijkheid om een voorkeursrecht te vestigen nog voordat gronden, waaraan een gewijzigde bestemming wordt toegedacht of gegeven, zijn opgenomen in een ter inzage gelegd ontwerp van een structuurplan of een bestemmingsplan. Bepalingen over de procedure die hiervoor doorlopen moet worden zijn te vinden in de artikelen 8 en 8a van de Wvg. De procedure begint met een voorstel van burgemeester en wethouders tot het nemen van een besluit omtrent de vestiging van het voorkeursrecht aan de gemeenteraad (artikel 8a Wvg). Het voorstel kan op grond van artikel 8a, eerste lid, van de Wvg bekend worden gemaakt, onder meer in de Staatscourant. Het tweede lid van artikel 8a bepaalt dat het voorstel daags na de dagtekening van de Staatscourant waarin het bekend is gemaakt rechtsgevolg krijgt. Dit betekent dat vanaf dat moment de beperkingen van de Wvg al op de bij het voorstel betrokken gronden rusten.

Het voorstel van burgemeester en wethouders blijft ingevolge artikel 8a, derde lid, onder d, acht weken geldig. Binnen die termijn moet de gemeenteraad op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wvg het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht nemen. Dit besluit geldt vervolgens op grond van het vierde lid van artikel 8 voor een termijn van ten hoogste twee jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van dit besluit. Gevolg hiervan is, dat de gemeente binnen deze twee jaar een ontwerp van een structuur- of bestemmingsplan ter inzage moet leggen om de werking van het voorkeursrecht verder te kunnen verlengen.

Rechtsbescherming
Uit de beschrijving van de procedure hiervoor blijkt dat er over het geheel genomen sprake kan zijn van meerdere voorstellen van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad en van meerdere raadsbesluiten. Een en ander heeft natuurlijk gevolgen voor de mogelijkheden tot rechtsbescherming.

Voorafgaand aan het besluit van de gemeenteraad tot vestiging van het voorkeursrecht (op grond van artikel 2 of artikel 8 van de Wvg) moeten belanghebbenden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid worden gesteld tot het naar voren brengen van zienswijzen. Hetzelfde kan worden gesteld ten aanzien van de voorstellen van burgemeester en wethouders aan de raad op grond van artikel 6 of 8a van de Wvg. Hiervoor wordt echter aangenomen dat zich de uitzonderingen voordoen als bedoeld in artikel 4:11, sub a en c, van de Awb. Ingevolge die bepaling mag van de hoorplicht van artikel 4:8 van de Awb worden afgezien indien de vereiste spoed zich daartegen verzet en het met een betrokken besluit beoogde doel slechts kan worden bereikt indien belanghebbenden daarvan niet reeds tevoren in kennis worden gesteld.

Tegen een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad tot vestiging van een voorkeursrecht staat wel rechtsbescherming open. Belanghebbenden kunnen tegen zo’n voorstel een bezwaarschrift indienen. Artikel 9a, eerste lid, van de Wvg bepaalt namelijk dat een voorstel van burgemeester en wethouders ten aanzien waarvan artikel 6, eerste lid, of 8a, eerste lid, van de Wvg is toegepast wordt aangemerkt als een besluit. Na de beslissing op een bezwaarschrift kan de belanghebbende vervolgens beroep instellen bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De kans is reëel dat een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad in de fase van bezwaar of beroep reeds gevolgd is door een besluit van de raad tot vestiging van het voorkeursrecht. De wetgever heeft voorzien in een samenloop van procedures en heeft in artikel 9a, tweede lid, van de Wvg een bepaling opgenomen die er in feite in voorziet dat het bezwaar en beroep tegen het voorstel van burgemeester en wethouders geacht wordt te zijn gericht tegen het (inmiddels tot stand gekomen) raadsbesluit.

Belanghebbenden kunnen hangende de behandeling van een bezwaar of beroep ook nog een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening indienen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank (in de fase van het bezwaar of beroep in eerste aanleg) of bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (in de fase van het hoger beroep). Zo’n verzoek komt echter alleen dan voor toewijzing in aanmerking indien het besluit evident onrechtmatig is. Dit is op zich een begrijpelijk criterium, omdat een voorlopige voorziening die inhoudt dat het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht wordt geschorst verstrekkende gevolgen zal hebben. Het effect van het voorkeursrecht (namelijk dat een eigenaar zijn grond eerst ter verkoop aan de gemeente moet aanbieden) gaat daarmee immers verloren.


Inzet Van der Boom Advies
Van der Boom Advies kan bij toepassing van de Wvg de volgende diensten aanbieden en verzorgen:
  • advisering over de start en het verloop van de Wvg-procedure en afstemming daarvan met andere procedures;
  • advisering over het opstellen van de benodigde stukken in de verschillende fasen, gericht op het vestigen van het voorkeursrecht en het daadwerkelijk opstellen van de benodigde stukken en/of het begeleiden daarvan;
  • leveren van een bijdrage in het kader van de gerechtelijke procedures (opstellen stukken, vertegenwoordiging tijdens de zittingen).